"Doe rustig aan" lijkt het enige te zijn wat je weet te zeggen nu het dan echt over is. Verbaasd kijk ik je aan, zo rustig en serieus als je nu klinkt ken ik je helemaal niet. "Maak je geen zorgen, ik red me wel" is wat ik antwoord terwijl ik je blik probeer te vangen. "Liefje, dat weet ik, ik ken je toch?" Je glimlacht. Wrang lach ik terug. Ik twijfel de woorden uit te spreken die op het puntje van mijn tong liggen. Ik weet dat ze je gaan kwetsen, maar doe het toch.
"Je kent dat wat ik aan de oppervlakte ben, ja. Je kent alleen wat ik voel. Blijdschap, verdriet. Of zelfs dat niet. Ik denk dat je kent wie ik voor jou probeerde te zijn." Ik zie aan je dat je het niet snapt. "Wat daar onder zit, mijn dromen, mijn gedachtes en mijn angsten, dat wat maakt wie ik echt ben, dat ken je niet."
De verwarring straalt van je af. "Ik denk niet dat ik helemaal snap wat je bedoeld" is dan ook wat je antwoord.
"Ik denk dat je me nooit echt hebt willen kennen." Ik zie dat je je tranen wegslikt, wat me aanmoedigd verder te gaan. "Je hebt nooit gevraagd naar de personen op de foto's aan mijn muur. En het gedicht naast mijn bed. Herinner je dat? Dat gedicht waarvan je zag dat ik het van iemand gekregen moest hebben, omdat het niet met mijn handschrift geschreven was. Dat gedicht dat je veel te depressief vond voor een meisje als ik. Je hebt nooit gevraagd van wie ik dat heb gekregen, of waarom juist dát gedicht daar naast mijn bed hangt. Je hebt nooit gevraagd waarom ik het zo moeilijk vind om over bepaalde onderwerpen te praten, waarom ik dit dan ook vermijd. Je hebt zoveel niet gevraagd. Ik heb zoveel niet verteld."
De woede is van je gezicht af te lezen, en ik snap dat je boos bent. Even is het stil. "We hebben het wél over dat soort dingen gehad. Je doet nu net alsof we nooit gepraat hebben, alsof we helemaal niets van elkaar weten! Ik herinner me wel degelijk gesprekken over onze jeugd bijvoorbeeld. Over onze families. En ik heb Es toch leren kennen?"
Zwijgend kijk ik je aan. Ik zie een man die ik steeds minder ken. Je bent bijna een vreemde voor me. Ik kan me niet meer voorstellen dat ik een week geleden nog in je armen lag en naar je luisterde. Dat ik genoot van je verhalen. "Dat klopt, daar hebben we het ook over gehad. Maar dat ging vrijwel alleen over jou. Over jouw kindertijd, over jouw streken, ongelukjes en herinneringen. Over jouw studententijd, jouw stomme bijbaantjes en alle huizen waar jíj in gewoon hebt." Ik moet mijn best doen niet terug te schreeuwen.
Opeens kijk je me aan. Geschrokken. "Misschien dat je gelijk hebt. Ik heb zo graag gewild dat je deel uit maakte van mijn leven, dat ik vergeten ben deel van jouw leven uit te maken. Ik, ik, verdomme. Het spijt me. Echt."
"Het geeft niet meer. Misschien heb ik het ook wel een beetje expres gedaan. Ik luister liever naar anderen dan dat ik over mezelf vertel. Dan dat ik moet laten zien wie ik echt ben." Om de een of andere reden durf ik je niet meer aan te kijken, en ik kijk dan ook de andere kant op. Ik betreur het dat we nu pas zo'n goed gesprek voeren. Nu het meer dan te laat is. Voor de zoveelste keer baal ik dat ik het zo moeilijk vind om mezelf te laten zien.
Wanneer ik de moed vind weer naar je te kijken zie ik dat de tranen over je wangen rollen. Je ontwijkt mijn blik. Opeens lijk je zo enorm klein en breekbaar dat ik je het liefst in mijn armen neem om je te troosten. Ik doe het niet. Plots kijk je me aan. Je blik is kil. Alsof ik totaal vreemd voor je ben. "Ik ga, naar huis" breng je uiteindelijk uit. Vanaf dan herken ik je weer. Ik herken je als de man die zich omdraait, zijn rug recht en wegloopt. Weg van dat wat moeilijk voor hem is.